Volksuniversiteit Den Haag

Bestellijst

Geen bestellingen
Cursuscode: 18-2134

Lezingenserie - Van Zuiderzeewerken tot Deltaplan: Nederlands onophoudelijke strijd tegen het water

Lezingenserie - Van Zuiderzeewerken tot Deltaplan: Nederlands onophoudelijke strijd tegen het water
Cursuscode: 18-2134

Nederland: Polderland uit noodzaak

Bekijk HIER de trailer voor deze lezingenserie.

De ontstaansgeschiedenis van Nederland als staat is karakteristiek bepaald door de voortdurende strijd tegen het water, vooral dat van de Noordzeezijde. Vanaf de vroege middeleeuwen. In de negende eeuw komt de graaf van Holland, de mysterieuze Dirk I, op de gedachte dat Holland, dat op dat moment grotendeels een wed is, drooggemaakt moet worden. Een wed, dat is: een drassig gebied dat via waterlopen – weteringen – bij vloedend tij met brak water onderloopt. Bij eb trekt dat water zich terug. De weteringen worden daardoor uitgeschuurd en dus verdiept. Daardoor kan het zeewater steeds verder achter de duinen landinwaarts doordringen. Dirk wil nu een omvangrijke dijkage aanleggen, want straks heeft hij nauwelijks nog bewoonbaar land over. Zijn ambitie is om een echte soeverein te worden. En zonder land en ingezetenen kan die ambitie niet vervuld worden. Dirk wil zelfs als soeverein heerser erkend worden door de schimmige verre autoriteit van de Roomse Keizer van het Teutoonse Heilige Rijk. Teutoons: dat is later: het Duitse rijk. Die Keizer zit ergens ver weg bij de Alpen naar het oosten. 

De Keizer heet: Keizer van het Heilige Teutonischer Rijk. De Paus, de plaatsvervanger van Christus hier op aarde, heeft die Keizer gezalfd. Daarom is die Keizer heerser “bij de gratie Gods”.  Dat is in deze tijd verschrikkelijk belangrijk. Het gezag is immers van God gegeven. Alleen hij, die door God geautoriseerd is, kan het uitoefenen. Erkent die Keizer Dirk als graaf, dan heeft zijn gezagsuitoefening een legitieme basis. Naar de toenmalige begrippen. Want die Keizer is een gezalfde Gods, net als de Paus. De Paus is de wetgever Gods. De Keizer is de militaire gouverneur Gods. Hij moet de Christenheid beschermen tegen de invallen van de Ottomanen, de Slaven en de Mongolen. Die komen allemaal oprukken vanuit het Oosten, soms het Verre Oosten. De militaire taak van de Keizer is niet territoriaal gebonden. Net als het leergezag van de Paus als wetgever. Die van een Koning wel. De rechtsmacht van Paus en Keizer is universeel. Daarom kan Dirk I die rechtsmacht van de Keizer best inroepen in de Kennemer Duinen. 

Maar iedereen weet: Dirk is maar een roverhoofdman. Hij is niet gezalfd. Hij komt ook voor zalving volstrekt niet in aanmerking. Dirk staat er niet best op. Hij bedreigt de boeren en perst ze beschermingsgelden af als de eerste de beste maffioso. Hij verkracht lekkere boerendochters als zijn pet er naar staat. Zijn ruiters uit zijn gevolg zijn precies hetzelfde. De Roomse Keizer zal wel wijzer wezen. Pas Willem II zal als Graaf van Holland in aanmerking komen voor zalving. Dan wordt Willem “Rooms Koning” in 1248. Hij bouwt de Ridderzaal in Den Haag. Een prestige-gebouw voor kantoordoeleinden. Dan is echter het dijkageproject waar we het hier over gaan hebben al bijna voltooid. Alleen de dijk boven de Hollandse IJssel is nog niet echt hecht verankerd. Die Willem heeft dan effectieve gebiedingsmacht tot aan Rotterdam, dus ver achter de duinen. Maar Dirk is nog lang zo ver niet. Daarom heeft Dirk een echte bisschop nodig, want die is wel gezalfd. Maar dan een bisschop zonder territoriale pretenties. Natuurlijk:  dan zou die bisschop Dirk lelijk in de weg kunnen zitten. Een abt van een kloostergemeenschap heeft die pretenties in beginsel niet. Hij heeft jurisdictie over zijn monniken en hun onderhorigen. Maar meer ook niet. Zijn jurisdictie is personeel  bepaald. En een abt is bisschop.

Dirk heeft een neef. Neef Egbertus. Die is abt van een Benedictijnerklooster in Trier. Een bisschop, dus een vazal van de Duitse of Teuntonischer Keizer. Kan die neef geen gezant met de bisschopsstatus sturen die in Egmond een klooster sticht? Benedictijnen, dat zijn agrarische specialisten. In Vlaanderen hebben zij veel vruchtbaar gebied drooggelegd. Kunnen zij datzelfde kunststuk niet in Zuid-Holland komen volbrengen? De neef, tuk op uitbreiding van de macht van zijn orde, stemt toe. De legendarische eerste Abt van Egmond heet Adalbertus. Hij begint vanuit Egmond een enorme dijkage. 

De bisschop van Utrecht laat de Abt van het Benedictijnerklooster bij Utrecht hetzelfde doen. De monniken zijn de planners, de architecten van deze waterstaatsprojecten. Naarmate de dijkage vordert nemen zij plaatselijk personeel aan in de gehuchten, de dijkers. Vanuit het westen werkt men naar Schiedam toe. Vanuit het oosten naar Hillegersberg, een forse verhoging in het wedgebied. De concurrerende dijkers ontmoeten elkaar in het gebied waar de Rotte uitwatert op een zee-arm: de Mer-Wede. Een immense binnenzee, die zich bijna tot Walcheren uitstrekt. Daar, op die ontmoetingsplaats werpen de dijkers een dam op. De Rotte-dam. Er komt daar een kerk, gewijd aan Sint Laurentius. 

Het eerste Nederlandse dijkage-project is voltooid, maar nu begint het polderen van het binnenland. Met de uitgifte in erfpacht van het gewonnen land, met een bijbehorend belastingssysteem en een onderhoudsplicht van de dijken, sloten, gorzen, kwelders en sluizen. Het typische Nederlandse waterstaatsrecht ontstaat. Met zijn polderschappen, waterschappen, heemraden en hoogheemraden, dijkgraven, sluismeesters, overtomers, schutters, ingelanden en dijkmeesters. Het poldermodel.

zuiderzeewerken

De voltooiing van deze poldering vindt plaats in de negentiende eeuw waarheen de Nederlandse natie zich grondverzettend, schoppenrinkelend, versluizend en slootverschonend op weg begeeft. Want het model is nooit af. Ook tegenwoordig niet. Het vereist voortdurend onderhoud en vernieuwende waterstaatkunde. Die kunde, de borging van een bepaalde nationale waterstaat, is voor de staat Nederland essentieel. We willen droge voeten houden. Dat is net zo belangrijk als de borging van de openbare orde, rust en veiligheid in dit kikkerland. Daarom is het opmerkelijk, dat onze grote grondwetgever, Thorbecke, nooit een overkoepelende waterstaatswet heeft willen tot stand brengen. Hij maakte wel op basis van het nieuwe grondwettelijk bestel dat hij in 1848 van ’s konings handtekening wist te voorzien, legerwetgeving, onderwijswetgeving, provinciale wetgeving en een gemeente-wetgeving, gezondheids- armen- en justitiewetgeving, waarin hij constitutionele beginselen verwoordde, maar voor de waterstaat liet hij dat na.  Voor de spoorwegen overigens ook.  Nederland heeft geen Rijkswaterstaatswet en ook geen Rijksspoorwet. Thorbecke botste teveel op gewestelijke belangen en belangetjes,conservatisme en ouwe jongens-krentebrood netwerken. En dan: Thorbecke was, zacht gesproken, ook niet zo soepel in de omgang. Hij was een professorale frik. En dat moeten Nederlanders niet. Ze leren anderen lesjes. Maar lesjes krijgen, dat vinden ze niks. Ook dat is kenmerkend voor ons polderland. En in de verschillende ad hoc-wetten op de waterstaat kunnen we toch wel bepaalde typische grote uitgangspunten onderkennen. Die ook weer typologisch zijn voor de Nederlandse volksgeest of eigenaard.

In deze lezingenserie gaan we daarop nader in. Voor het overzicht klik HIER. We doen dat via de mega-projecten die heden ten dage nog steeds tot de verbeelding spreken, vooral omdat gigantische stoomcompound-machines daarbij een rol gaan spelen. Denk aan het stoomgemaal  “De Cruquius” dat mede de drooglegging van de Haarlemmermeer bewerkte. Ze staan nog in het landschap als getuigen van deze titanische strijd, een van de weinige die de Nederlandse natie-staat in volle triomf won. Ze spreken tot onze verbeelding. Want ze zijn uniek voor ons land.

We zullen behandelen de diverse polderingsprojecten in de tweede helft van de negentiende eeuw gestart met het oog op de drooglegging van de Wadden- en Zuiderzee. De figuur van Ir Cornelis Lely is hier spraakmakend. Maar ook hij sloot aan bij eerdere polderprojecten. Hij werkte ze uit. De naamlozen die hem voorgingen baanden zijn weg. De overheid trok ineens nieuwe landaanwinningstaken naar zich toe en veranderde het landschap drastisch. Het Zuiderzeeproject noopte tot de vraag of de overheid de vissers rond de Zuiderzee niet schadeloos moest stellen voor het feit dat zij hun nering en nijverheid moesten opgeven. En zo ja, in hoeverre, naar welke maatstaven en voor welke termijnen. Vragen die ook thans actueel zijn, nu die overheid opnieuw duchtig ingrijpt in het nationale landschap en dus in de daaraan verbonden private debieten. Denk aan de windmolenparken in de Noordzee, de ophoging van de rivierbedijkingen en de verlegging der uitwaarden.

Uiteraard komt het epos van de Deltawerken vervolgens aan de orde, met dezelfde dimensies en nieuwe overheidsaansprakelijkheden. En plichten voor de ingezetenen om de veranderingen te gedogen en daaraan zelfs mee te werken. Ook al schaadt dat op korte termijn hun bedrijfsmatige bezigheden aanmerkelijk en breekt het in op hun persoonlijke levenssfeer. We eindigen deze episode bij de voltooiing  van de Maeslandkering in de Nieuwe Waterweg ter hoogte van Het Scheur en de verlegging van de waterlopen en hun huishouding die daar het gevolg moesten zijn.

We komen dan op de twee Maasvlaktes die ver zee-inwaarts zijn gelegen en de territoriale zee hebben verlegd ten nadele van de volle zee. Deze vlaktes zijn noodzakelijk om  Rotterdam zijn transitopositie binnen de Europese Unie te verzekeren. De kurk, waar Nederland economisch op drijft. Maar kon Nederland zomaar inbreken op het bestaande areaal van de volle zee in de Noordzee? Het verlegde zijn territoriale en aansluitende zone daarmee aanmerkelijk ten nadele van de andere zee-oeverende staten. Hun geografische en interzonale aanspraken waren door het Noordzee-oeververdrag geborgd. Wat zijn de gevolgen verder voor de oeverstaten die aangesloten zijn bij de Rijnvaart- en Donauverdragen? Zij krijgen te maken met een maximering van de opvaarten. Hebben zij nog iets te vertellen over deze vaarten en moet het politiereglement dat deze vaarten beheerst niet worden bijgesteld? En hoe moet dat dan? De Maasvlakten verruimen de binnenwateren die als internationale doorvaarten moeten worden aangemerkt aanmerkelijk. De vaarten worden zwaarder, complexer en soms naar belading gevaarlijker. Zijn er waterstaatsverdragen daaromtrent? En wie past die toe? Kan Nederland polderen zoals het deed zonder zich daarom te bekommeren? Een ongedacht perspectief voor de bewoners van onze gezellige moerasdelta.

Waar wij inzonderheid de aandacht voor zullen hebben, zijn de geomorfologische gevolgen die de massale poldering bleek te hebben. De poldering had betekenis voor en eb- en vloedgetijden in het grondwater en dus het grondwaterpeil. Gebouwen, die een bepaalde opwaartse druk ondervonden van de grondwatervloed, bleken na verloop van tijd deze druk veel minder te ondervinden. Zo ging de Laurenskerk  in Rotterdam in de zeventiende eeuw onverklaarbaar hellen, omdat de vijftiende eeuwse ontwerpers en bouwers van het casco geen rekening hadden gehouden met deze wijziging van dat peil en de getijden ervan, tengevolge van de immense inpolderingen rondom  Rotterdam. En dat deed zich ook zelfs in de Kempen voor, een toch betrekkelijk hooggelegen rug op zandkammen. Dat heeft men bemerkt bij archeologische opgravingen rondom de Catharinakerk daar, toen het stadscentrum opnieuw werd ingericht.

Maar ook militair-strategisch bleken de polderingen, bedijkingen en zeewaartse landuitleggingen uiteraard betekenisvol. De afsluitdijk werd een strategisch object in de Tweede Wereldoorlog. De zware zeebedijking van Walcheren gaf de Duitsers de gelegenheid zware kustbatterijen te installeren, zodat Antwerpen geen ravitailleringshaven kon worden vanwaaruit Operation Market-Garden bevoorraad kon worden tot aan Antwerpen. Noch Eisenhower noch Montgomery hadden daar rekening mee gehouden. Het was een duchtige streep door de rekening van hun opmarsplannen.

Ecologisch hebben de polders ook een enorme uitwerking op landschap, bodembewatering, drainage en fauna. De Wedwigpolder in Zeeuws-Vlaanderen is er een voorbeeld van, ook omdat zij de verschuiving van zandbanken in de monding van de Westerschelde mede bepaald en de Wielingen verlegt.

Voor een idee van een avondvullend college (1,5 uur) van prof. Strijards, klik op onderstaand plaatje:

college Nederland polderland

 

Maandag 11 maart 2019
12 lessen van 2 uur aanvangstijd 20:00 (klik hier voor de lijst met data en tijden per bijeenkomst)
Prijs: € 215,00
Dhr. prof mr dr G.A.M. (Gerard) Strijards
20:00 - 22:00
Locatie: Zandvliet Lyceum (klik hier voor de adres gegevens)
Inschrijving geopend >
prof mr dr G.A.M. (Gerard) Strijards
prof mr dr G.A.M. (Gerard) Strijards
Gerard Strijards nam deel aan de conferenties van de Verenigde Naties over de codificaties van het humanitaire recht, het oorlogsstrafrecht, de onderhandelingen over de oprichting van internationale straftribunalen in Den Haag en doceert internationaal institutioneel recht, internationaal strafrecht en volkerenstrafrecht. Tevens heeft hij ruime rechterlijke ervaring op deze terreinen.